Na een studiereis met een aantal bestuurders naar Boston over flexibilisering in het onderwijs besloot Anka Mulder, voorzitter – president bij Saxion Hogeschool en voormalig lid College van Bestuur TU Delft, op papier te zetten wat de belangrijkste ontwikkelingen zijn op het gebied van digitalisering in het onderwijs in de afgelopen tien jaar in Nederland. Dit stuk vormde de aanzet voor het huidige Versnellingsplan.

Experimenteren hoort erbij

“Voor vrijwel alle beroepen heb je digitale kennis en vaardigheden nodig. Daar moeten we onze studenten op voorbereiden, vindt het hoger onderwijs,” legt Mulder uit. “Als we samenwerken, kunnen we snel resultaten boeken. Ik zie dan ook geen reden dat Nederland niet de beste binnen Europa kan worden op dit gebied.

Om te komen tot innovatie is het wel essentieel om een klimaat te scheppen waarin nieuwe projecten getest worden. Daar horen ook mislukkingen bij. Alleen dan is innovatie echt mogelijk.”

Acht thema’s

Binnen het Versnellingsplan werken universiteiten en hogescholen aan acht zones om onderwijsinnovatie met ICT te bewerkstelligen. Deze zijn: 1) faciliteren en professionaliseren van docenten, 2) aansluiting op de arbeidsmarkt verbeteren, 3) flexibilisering van het onderwijs 4) naar digitale (open) leermiddelen, 5) veilig en betrouwbaar benutten van studiedata, 6) evidence-based onderwijsinnovatie met ICT, 7) samenwerking met EdTech en 8) gezamenlijk koersen op versnelling. Instellingen kunnen binnen de acht zones samen hun ambities bepalen en aanpak formuleren.

Op de vraag hoe zij onderwijsinnovatie binnen het thema ‘aansluiting op de arbeidsmarkt verbeteren’ voor ogen heeft, zegt Mulder het volgende: “Hóe je doceert is belangrijk, maar wát je doceert is minstens net zo belangrijk. Studenten moeten zowel binnen de opleiding als in hun privésituaties over digitale kennis en vaardigheden beschikken. Het gebruik van internet en mail lukt wel, maar het wordt al lastiger als het gaat om programmeren of het maken van een geavanceerde spreadsheet.

Hóe je doceert is belangrijk, maar wát je doceert is minstens net zo belangrijk.

We willen analyseren welke kennis en vaardigheden noodzakelijk zijn binnen specifieke studies. Wat een econoom moet kunnen is weer anders dan een architect. Verder willen we in kaart brengen of we genoeg mensen opleiden voor een bepaalde studie en of we wellicht nieuwe opleidingen moeten ontwikkelen. Denk bijvoorbeeld aan een studie gericht op IT en veiligheid. Nauwe samenwerking met het bedrijfsleven is essentieel, omdat zij specifieke behoeften hebben maar soms ook kennis die wij zelf minder hebben.”

Een gezamenlijk digitaal infrastructuur

SURF, de ICT-samenwerkingsorganisatie van het onderwijs en onderzoek in Nederland is mede-initiatiefnemer van het Versnellingsplan. “Met het Versnellingsplan willen we de creativiteit van onderwijsgevenden benutten door de digitale infrastructuur gezamenlijk te regelen,” vertelt Erwin Bleumink, lid bestuur SURF. “Ook kijken wij hoe we commerciële partijen daarbij kunnen betrekken. Door de kracht van ICT te benutten willen we de aansluiting op de arbeidsmarkt verbeteren en het onderwijs personaliseren.”

Samenwerking leveranciers en onderwijsinstellingen

Er wordt veel geld geïnvesteerd in EdTech bedrijven. Hoewel leveranciers en startups prachtige producten aanbieden, sluiten deze vaak niet aan op de behoeften van het hoger onderwijs en integreren ze niet eenvoudig met andere systemen. “Afspraken over standaarden, zodat de verschillende ict-systemen gemakkelijk met elkaar kunnen communiceren, zullen bijdragen aan de ontwikkeling van creativiteit en innovatie.”

Bleumink: “Om ervoor te zorgen dat de digitale leermiddelen, die worden ontwikkeld beter aansluiten op de behoefte van het onderwijzend personeel, is het zaak om de verschillende partijen bij elkaar te brengen. Hiervoor hebben we bijvoorbeeld de Challenge Day in het leven geroepen waarbij leveranciers en onderwijsinstellingen samenwerken aan vraagstukken om zo onderwijsinnovatie te versnellen, want innoveren doe je samen.”

Bleumink plaatst echter één belangrijke kanttekening: “Bestuurders moeten docenten tijd en ruimte geven om aan innovatie te werken. Je kunt van alles bouwen en bedenken, maar zo lang het niet in het onderwijs gebruikt wordt, heeft het geen zin.”

Beter onderwijs

Het versnellingsplan heeft als uiteindelijk doel beter onderwijs te geven aan studenten en hen nieuwe flexibele mogelijkheden te bieden, waaronder het leren op een tijdstip en plaats die ze zelf willen. Een voorbeeld: het beste onderwijs op het gebied van micro-electronica is bij Massachusetts Institute of Technology. Dankzij innovatief digitaal onderwijs zou een Nederlandse student vanuit de TU Delft een dergelijk vak daar kunnen volgen en incorporeren in haar Nederlandse studieprogramma.

Het versnellingsplan heeft als uiteindelijk doel beter onderwijs te geven aan studenten en hen nieuwe flexibele mogelijkheden te bieden.

 

“We willen uiteindelijk naar dat soort mogelijkheden toe,” vertelt Prof. dr. Arthur Molrector magnificus van Wageningen University en vicevoorzitter van de raad van bestuur van de WUR. “Dat gaat ook niet lang meer duren. Ik verwacht dat studenten al over 2 jaar de eerste vruchten plukken van de resultaten van het versnellingsplan door een groei in hun digitale vaardigheden en meer keuzemogelijkheden binnen het onderwijs. Ook zullen ze vaker andere onderwijsvormen krijgen voorgeschoteld, zoals ‘blended learning’, en kunnen ze zelf veel meer hun eigen onderwijsprogramma samenstellen.”

Een leven lang leren

Deze nieuwe manier van onderwijs vormgeven, sluit ook mooi aan op het principe van ‘Een leven lang leren’. Mol: “Kennis verandert, veroudert, en professionals moeten dat blijven updaten. Steeds vaker kunnen mensen een opleiding doen vanuit een werksituatie. Het versnellingsplan springt ook op deze ontwikkeling in. Zo kan een werkende 40-jarige zich bijvoorbeeld inschrijven voor twee keuzevakken bij de WUR om kennis bij te spijkeren en te updaten.

Vooralsnog registreren en certificeren we nu diploma’s op Bachelor- en op Masterniveau, maar ik zie het ook gebeuren dat we dat gaan registreren en certificaten uitdelen op vakkenniveau. Daarvoor moeten we wel een goed systeem hebben dat alles registreert, dat erkend wordt tussen universiteiten en gecertificeerd is. Hierdoor zal het stelsel van opleidingsaccreditatie vervallen en gaan we volledig over naar een instellingsaccreditatie. Zoals overigens in België al het geval is.”