“Er is natuurlijk op vele vlakken heel wat veranderd ten opzichte van ‘vroeger’. Neem alleen al de veranderingen in de maatschappij én de technologische mogelijkheden.

Vroeger hadden docenten qua beeldmateriaal hooguit dia’s tot hun beschikking en iets later apparatuur waar met een beetje geluk een videoband op vertoond kon worden. Nu zijn de mogelijkheden wat dat betreft bijna onbegrensd.

Leerlingen werken zelf op een iPad, er zijn digitale schoolborden en ‘beeld’ is overal. Leerlingen zijn in die ontwikkelingen meegegroeid, de extra prikkel van ‘beeld’ is niet meer aanwezig zoals dat vroeger was. Vroeger waren leerlingen al blij met iets van beeld, nu is er de hele dag beeld. Wat hetzelfde is gebleven: het belang van een goede docent die zijn/haar leerlingen helpt met de hulpmiddelen die beschikbaar zijn.”

Kortere spanningsboog

Minister Slob was zelf jarenlang docent en merkt op dat er grote verschillen zijn in de manier van lesgeven van toen en nu. “De verschillen hebben natuurlijk ook te maken met de ontwikkelingen in de samenleving, het onderwijs speelt daarop in.

De spanningsboog van leerlingen is korter.

Vroeger was een docent vijftig minuten lang aan het woord, de leerling zat stil en luisterde. Nu is de spanningsboog veel korter, er is meer afwisseling waardoor het tegelijkertijd ook moeilijker is voor docenten om de aandacht van de leerling vast te houden.

Het huidige onderwijs daagt leerlingen veel meer uit op vaardigheden, buiten de reguliere vakken om, door hen dingen te laten uitzoeken en presentaties en werkstukken te laten maken. Wat dat betreft zijn daar nu ook veel meer mogelijkheden voor.”

Passie voor het vak maakt het verschil

Terugkijkend op de manier waarop zijn eigen kinderen onderwezen werden, stelt hij dat hij daar wisselende dingen zag. “Het komt erop neer dat het staat of valt met de docent. Heeft deze passie voor zijn/haar vak, dan kan een docent ongelooflijk veel betekenen voor leerlingen.

Indien iemand niet of weinig gepassioneerd met de uitoefening van het vak bezig is, kan dat zelfs schade aanrichten. Ik vind het dan de taak van de schoolleiding om dat op te merken en te ageren. Iedereen heeft herinneringen aan die ene docent die de lessen speciaal maakte en de docent waarvan het leek dat hij/zij op de verkeerde plek zat.

Verdere digitalisering kán een grote bijdrage leveren, maar de docent blijft de grootste factor in het geheel. Leerkrachten beseffen soms de grootte van hun rol niet, ze werken met twintig tot dertig unieke mensen waar zij het verschil voor kunnen maken. Gelukkig zijn er veel goede docenten op onze scholen. Ik heb geen hoed, maar als ik die had, nam ik deze af voor al die docenten die – ondanks alle problemen waar ze dagelijks mee geconfronteerd worden – toch hun bevlogenheid en passie behouden.”

Factoren voor goed onderwijs

Slob benadrukt nogmaals dat docenten de belangrijkste factor voor goed onderwijs zijn. “Deze staan met stip op één als ze beseffen hoe waardevol ze zijn. Daarnaast moet onderwijs natuurlijk passend blijven, het curriculum wordt nu herzien en digitale vaardigheden krijgen daar vanzelfsprekend een plaats in.

Het gebouw en een goed binnenklimaat spelen een rol, net als de verbinding tussen thuis en school. Contact tussen school en ouders is belangrijk, ouders zijn tegenwoordig veel mondiger dan vroeger, maar het gebeurt ook nog steeds dat er helemaal geen verbinding is. Tussen zeer betrokken ouders en ongeïnteresseerde ouders zit een groot gebied.”

Geen dramatische veranderingen

Slob ziet de toekomst van het onderwijs niet dramatisch veranderen. “Er zal altijd onderwijs zijn dat blijft meebewegen met maatschappelijke veranderingen en de ontwikkelingen binnen het bedrijfsleven. De docent blijft – óók in de toekomt – de belangrijkste factor. Mijn tip voor docenten: houd van je leerlingen! Ik denk dat dat nodig is om je werk goed te kunnen doen. Elke leerling heeft zijn/haar eigen geschiedenis en het is fantastisch om daarmee te mogen werken.”