Jos Sanders
Vice President Global Advanced Technology bij Inalfa Roof Systems

Tijdens de flinke klappen die de autobranche in 2009 om de oren kreeg, ging ook Inalfa door het oog van de naald. Van die tijd is momenteel weinig meer merkbaar. De geavanceerde schuifdaken die het bedrijf maakt zijn in vrijwel alle merken auto’s terug te vinden. Jos Sanders, Vice President Global Advanced Technology, benadrukt daarbij het belang van de specifieke internationale constructie van het bedrijf. Alle voorontwikkeling, strategie en financiering vinden plaats vanuit het Nederlandse hoofdkantoor. Verdere ontwikkeling en productie vinden plaats in de regio’s Europa, Noord-Amerika, China en Asia Pacific. Een essentiële scheiding. Omdat alle voorontwikkeling plaatsvindt in Nederland, heeft Sanders namelijk profijt van de subsidie uit de Wet Bevordering Speur- en Ontwikkelingswerk (WBSO), die ten goede moet komen aan onderzoeks- en ontwikkeluren. “De voorontwikkeling staat als het ware los van de producten die we uiteindelijk maken”, licht Sanders toe. “Het gaat om de generieke technieken. Bepaalde mechanismen en prototypes bijvoorbeeld, die we later in de regio’s gebruiken om onze uiteindelijke producten te ontwikkelen.”

Extra stimulans

Hoewel de WBSO volgens Sanders niet de grootste financiële verlichting brengt, geldt deze wel als belangrijkste regeling. Innovatieve projecten die uit de WBSO voortkomen, kunnen sinds dit jaar namelijk subsidie genieten vanuit de Research en Development Aftrek (RDA). Deze regeling zorgt ervoor dat kosten voor prototypes, proefopstellingen of onderzoeksapparatuur aftrekbaar zijn. In welke mate Sanders deze regeling in zijn voordeel kan gebruiken, is gezien de jonge leeftijd van de regeling nog niet geheel duidelijk, maar het is een extra stimulans bovenop de personeelskosten. Hetzelfde geldt voor de Innovatiebox, een belastingbox binnen de vennootschapsbelasting, die eveneens is te benutten vanuit een WBSO-toekenning. Binnen deze regeling wordt een innovatiewinst vastgesteld op producten die voortkomen uit een WBSO-ontwikkeling, die met de helft van het toptarief van 25 procent wordt belast. Wie er voor het eerst mee in aanraking komt, zal het één en ander moeten (laten) uitpluizen. Sanders schakelde dan ook hulp in. “Om het goed in te richten zijn we een intensief traject doorgegaan met de Belastingdienst, maar dat is het zeker waard. De vennootschapsbelasting ligt uiteindelijk 50 procent lager, terwijl onze ontwikkelcapaciteit ondertussen met 50 procent is gestegen. Onze voorontwikkelingskosten verdienen we grotendeels terug door deze regelingen.” Los van de genoemde regelingen zijn er nog meer stimulansen vanuit de overheid, maar die passen volgens Sanders minder goed bij de visie van het bedrijf. “Wij werken of erg autonoom of intens samen met onze voornamelijk buitenlandse toeleveranciers. Zowel in ontwikkeling als in productie. Veel nieuwe subsidiemogelijkheden eisen dat je samenwerkt met veelal Nederlandse kennisinstellingen.”

Plannen

Het aanvragen van de fiscale stimulans is een continu proces. Hoewel de projecten waarop de WBSO bij Sanders van toepassing is zo’n twee tot drie jaar duren, dient ieder half jaar een vernieuwing van de toekenning plaats te vinden. Sanders zorgt daarbij samen met een extern bureau voor het procedurele gedeelte, de verantwoordelijke techneuten zorgen voor de inhoudelijke onderbouwing. “Wij geven tussentijdse updates. Agentschap NL controleert daarbij of de projecten nog vernieuwend zijn.” Voor Inalfa betekent dit dat alle techniek die sinds 2007 wordt ontwikkeld, gesubsidieerd wordt. En de regelingen die daarop van toepassing zijn, blijken tamelijk gestructureerd. En ook de administratieve bewijslast is niet zo hoog als bij incidentele subsidietenders. Het geeft Inalfa de mogelijkheid om flink vooruit te kijken. Wat eigenlijk ook niet anders kan bij de ontwikkeling van high tech toepassingen.

Patenten

Los van subsidiëring heeft de high tech-branche ook een groot belang bij politieke keuzes. Als voorbeeld noemt Sanders het faciliteren van e-mobility. Er is veel onderzoek en ontwikkeling nodig geweest om elektrische auto’s zo goed werkend te krijgen als ze nu zijn. Hoewel de klassieke auto-industrie hier op het eerste gezicht minder mee kan, ligt een niveau dieper het thema lichtgewichtconstructies, wat weer prima aansluit bij de Inalfa-ontwikkelingen. Maar niet alleen daarvoor is steun van de overheid nodig. Door bedrijven en consumenten met andere regelingen te stimuleren deze technologieën te gebruiken, wordt de innovatieve waarde pas echt benut. De revenuen die dat oplevert zorgen weer dat technieken verder ontwikkeld kunnen worden. Het is een geheel van middelen, mogelijkheden en mensen dat in balans moet blijven. In dat licht maakt Sanders zich wel zorgen over de beschikbaarheid van goede, breed opgeleide technici voor de automobielindustrie in Nederland. Toch neemt dat niet weg dat de Vice President momenteel erg te spreken is over de gang van zaken. “Wij plannen onze innovaties tien jaar vooruit en business wise zijn de fiscale regelingen daar goed bij te plannen. Maar dat moet ook wel, want je hakt zelf de knoop al door om te investeren op het moment dat je de aanvraag indient.”